Skip to content

De familieman wilde zonder familie niet verder

Februari 2020. Vader wordt ziek. Hij wordt opgenomen in het ziekenhuis. Zes weken. Ergens halverwege, vanaf 13 maart om precies te zijn, mogen we hem niet meer zien: lockdown. De oorzaak: een virus, corona geheten, – aanvankelijk vergeleken met de griep. 26 maart: telefoon ‘Hij moet hier weg’. Het begin van een einde, zoals we het niet hebben voorzien. Zijn nieuwe woonplaats wordt een woonzorgcentrum. Het is de plek waar hij op dat moment terecht kan. Van zorgvuldig uitkiezen is er geen sprake.

De tijd staat stil. Toch wordt het midden juni. De dag waarop ik vader weer van dichtbij mag zien, is een dinsdag.

Tussen maart en juni zie ik hem nog een keer, aan het venster. Hij binnen, ik buiten. Gescheiden door glas en gedachten. Hij huilt. ‘Hij begrijpt het niet’, denk ik. Ik huil.

‘Waarom bel je niet met je vader?’ Ik antwoord niet. Sommige goede bedoelingen doen pijn.

Vanaf juni zie ik hem afwisselend achter plexiglas of op een erg grote afstand, in een zaal.

De zomermaanden brengen zon en hoop, ik word voor het eerst toegelaten op vaders kamer.  Bezoek wordt drie maal per week toegestaan. We zijn een groot gezin. Ik zie vader één keer per week.

Met de zomer verdwijnt de warmte. Bezoek wordt weer aan banden gelegd.

3 oktober: Moeder en ik worden verzocht het woonzorgcentrum onmiddellijk te verlaten. Iemand onder het verplegend personeel heeft positief getest. De afdeling gaat in quarantaine. Onze harten krijgen we niet op slot. We verlaten het gebouw met tranen. Vader denkt dat we hém verlaten. ‘Bel gerust elke dag om te horen hoe het met hem gaat.’

Ik bel. Mijn moeder belt. Mijn zussen bellen. De fragmentarische informatie brengen we samen, toch krijgen we de puzzel niet gelegd.

Niet veel later is bellen met de afdeling niet meer mogelijk. Ik krijg iemand van de sociale dienst aan de lijn. Ze leest een briefje voor. Daarop staat geschreven of en wanneer vader heeft gegeten, alsof dat hetgene is wat we willen weten.

Einde oktober: ‘Uw vader heeft positief getest. We plaatsen hem in isolement.’ Wanneer we bellen, heeft de assistente ook niets meer over het eten te melden. Vader eet niet meer.

We zijn 4 november. Het is precies een maand geleden dat ik hem voor het laatst heb gezien. Ik krijg telefoon: ‘Het gaat slecht met uw vader. Brengen we hem over naar het ziekenhuis?’

Vader wordt overgebracht naar het ziekenhuis. Twee uur later bel ik, zoals afgesproken. Er is geen nieuws.

Enige tijd later worden we verzocht afscheid te komen nemen. Het afscheid mag twintig minuten in beslag nemen. Hij zal mij nooit meer aankijken. Zijn zachte ogen blijven gesloten.

Toch blijf ik hopen, al wordt die hoop voortdurend weer de kop ingedrukt:

6 november: ‘uw vader heeft veel ontstekingen’;
10 november: ‘uw vader zal overleven’;
11 november: ‘er zijn complicaties, komt u afscheid nemen?’

Ik kom. Ik zit uren naast zijn bed, samen met mijn moeder. Ik raak hem niet één keer aan. Ik wil mijn moeder niet in gevaar brengen. Twaalf uur:  ‘Uw tijd is om, ga maar naar huis.’ Ik blijf. Een half uur later is mijn vader niet meer.

Na vaders overlijden komen we te weten hoe vader de laatste maanden heeft doorgemaakt: eenzaam, moedeloos. De familieman wilde zonder familie niet verder.

(c) Shari Van Goethem
Naar een getuigenis van I.H.